Gratis levering in Nederland

Flexibele akkerranden en sluipwespen tegen bladluis

02 mei 2017

In dit project wordt gezocht naar een toepasbare, doeltreffende en commercieel interessante methode van het gebruiken van flexibele akkerranden langs bollenvelden in de strijd tegen bladluizen. Door het aanprikken van de plant onttrekken de bladluizen voedingsstoffen en brengen zo virussen over. De flexibele akkerranden bestaan uit bakken met artemisia’s die natuurlijke vijanden van de bladluis aantrekken. Hiervan is de sluipwesp in bollenvelden de meest voorkomende. Daarnaast trekt de akkerrand veel zweefvliegen en andere natuurlijke vijanden aan. Bij het tulpen- en lelieveld is gekozen om naast deze flexibele akkerranden van artemisia’s, gewasbeschermingsmiddelen te blijven gebruiken. Bij het narcissenveld is er voor gekozen om zonder gewasbeschermingsmiddelen te werken. In dit project zijn de flexibele akkerranden gecreëerd door verplaatsbare palletbakken te
maken, waarin vijf artemisia’s zijn geplant. Deze zijn met een vorkheftruck per twee bakken langs de bollenvelden gezet. Gedurende het groeiseizoen is er in alle proefvelden wekelijks gemonitord op de aanwezigheid van bladluis en van natuurlijke vijanden. Als referentievelden zijn de resultaten van bespoten velden zonder flexibele akkerrand van artemisia’s uit het onderzoek ‘Bestrijdingsmiddelen halveren, kan dat?’ van 2012 aangehouden, waarbij kan worden vermeld dat de monitorresultaten van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed een veel hogere virus overbrengende bladluisdruk in 2014 constateerde dan in 2012.

Narcissen
Het narcisveld is 2 hectare groot. Half half februari zijn 150 bakken met artemisia’s geplaatst. Er is in dit veld niet gewerkt met gewasbeschermingsmiddelen, behalve tegen onkruid (herbiciden). Bij het narcissenveld werden er gedurende het groeiseizoen zelden bladluizen aangetroffen en vielen de narcissen in de hoogste klasse, Klasse I.

Tulpen
Het tulpenveld is ruim 7 hectare groot. Hier zijn half maart 700 bakken rondom het veld geplaatst. In het tulpenveld is het percentage bladluis niet boven de 1 % gekomen, waarbij alleen sprake was van gevleugelde bladluis. Ongevleugelde bladluis, de volgende generaties, zijn niet aangetroffen. De flexibele akkerrand met artemisia’s zorgde voor een reductie van de luizendruk van meer dan 50% ten opzichte van het referentieveld. Daarnaast waren er geen pieken in de aanwezigheid van bladluis gedurende de teeltperiode ten opzichte van het bespoten referentieveld zonder een flexibele akkerrand van artemisia’s. De tulpen vielen onder Klasse I.3

Lelies
Het lelieveld is ruim 5 hectare groot. Hier zijn half juni 500 bakken langs 2 zijden van het veld geplaatst. Bij het lelieveld bleven de viruspercentages onder de norm voor klasse I. Ook bij het lelieveld was de luizendruk meer dan 50% lager dan het referentieveld en waren er geen pieken meer van bladluis gedurende de monitoringperiode.

Uit dit project blijkt dat een flexibele akkerrand met artemisia’s in staat is de luizendruk met meer dan 50% te reduceren, waarbij ook verwachte pieken in luizenaantallen uitblijven. Eén van de voorziene redenen om in plaats van een vaste akkerrand te kiezen voor een flexibele akkerrand, is de mogelijkheid om de bakken tijdens het spuiten met gewasbeschermingsmiddelen te kunnen verplaatsen, zodat de artemisia’s niet onverhoopt meegenomen zouden worden in de bespuitingen waardoor de gewenste natuurlijke vijanden gedood zouden worden. In de praktijk is echter gebleken dat het verplaatsen van de bakken niet nodig is. De bollenteler kon makkelijk het bollenveld met zijn tractor bereiken zonder de akkerrand te beschadigen of deze ongewild mee te nemen in zijn  bespuitingen.
De palletbakken met artemisia’s waren makkelijk te plaatsen, maar bleken een aantal nadelen te hebben in de praktijk. De grond in de bakken droogde door wind en droge perioden snel uit. De palletbakken moesten hierdoor regelmatig bewaterd en bemest worden om de artemisia’s niet uit te laten drogen. Daarnaast bleek het plaatsen en verwijderen van de palletbakken met een heftruck veel tijd te kosten.

Uitkomst van dit project is dat de flexibiliteit van de akkerrand moet voldoen aan een aantal voorwaarden:

  • het snel, dus weinig arbeidsintensief, kunnen plaatsen van een akkerrand van artemisia’s;
  • weinig onderhoud aan de akkerrand gedurende de teeltperiode;
  • het weer snel kunnen verwijderen van de akkerrand na de teeltperiode.

Door aan deze voorwaarden te voldoen, biedt de flexibele akkerrand een praktische oplossing voor de bollenteler om, zonder noemenswaardige inspanningen, de luizendruk in zijn veld met meer dan 50% te verminderen.

De resultaten van dit project zijn een opstap naar een geïntegreerde gewasbescherming voor de bollenteelt. De bollenteler kan naast het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, een extra bescherming tegen bladluis creëren, door een flexibele akkerrand aan het begin van zijn teeltseizoen te plaatsen. Vervolgens kan hij, door monitoring, zelf bepalen of hij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wilt verminderen om zodoende een stap te
maken richting een duurzame bollenteelt.

1 Inleiding
1.1 Probleemstelling
In de bollenteelt worden breed werkende insecticiden zoals Decis, Karate Zeon en Sumicidin
ingezet tegen bladluizen om bepaalde virusverspreiding tegen te gaan. Bladluizen
verzwakken de plant door voedingsstoffen te onttrekken en door virussen over te brengen.
Een te hoog viruspercentage in de bloembollen betekent een lagere opbrengst van de
bollen. De verwachting is dat het risico van deze economische schade naar de toekomst toe
groter wordt, ondanks de bespuitingen. In sommige velden loopt het viruspercentage toch
op gezien de langzaam toenemende resistentie bij de bladluis tegen deze middelen. Verder
rijst de vraag hoe lang deze middelen behouden blijven gezien hun negatief effect op het
milieu.
Ieder jaar monitort en informeert de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad
en pootgoed o.a. de bollensector over de bladluisdruk gedurende het seizoen. Uit deze
monitorresultaten bleek dat de (virus overbrengende) bladluisdruk in 2014 veel hoger was
dan in 2012. Oorzaak hiervan was het warme en vroege voorjaar in 2014.

1.2 Doel
De artemisia verspreidt lokstoffen die natuurlijke vijanden van de bladluis aantrekken. Uit
onderzoek1
is gebleken dat in de teelt van narcissen, tulpen en lelies de sluipwesp de
voornaamste natuurlijke vijand van de bladluis is. In dit project wordt gezocht naar een
praktische invulling, betaalbaar en toepasbaar in de gehele bollensector door flexibele
akkerranden op grote schaal en in diverse settings in te zetten in de teelt van narcissen,
tulpen en lelies.
Doel van dit project is om een commercieel concept te ontwikkelen, waarbij flexibele
akkerranden van bakken met artemisia’s praktisch zijn toe te passen voor bollentelers.
Naast de intensiteit van aanwezigheid van bladluis in de bollenvelden zijn de hoeveelheid
werk bij het plaatsen en verwijderen van de bakken, het onderhoud van de bakken en de
verzorging van de artemisia’s belangrijke parameters voor de bollenteler om deze methode
te omarmen. Een andere belangrijke parameter voor bollentelers is dat zij vrij willen zijn in
hun keuze voor het gebruik en frequentie van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
In dit project wordt in hoofdstuk 2 de projectopzet beschreven. In hoofdstuk 3 worden de
monitoringsresultaten en andere waarnemingen in de velden rondom bladluis en sluipwesp
besproken. Daarnaast wordt er in dit hoofdstuk ingegaan op de artemisiaplant en bakken. In
hoofdstuk 4 volgen de conclusies.

1 ‘Bestrijdingsmiddelen halveren, kan dat?’ J. Kazatzidis en C. Külling december 20125

2 Projectopzet
2.1 Bollenvelden
Voor dit project zijn de volgende velden ingezet:
– 2 hectare bollenveld beplant met narcissen
– 7 hectare bollenveld beplant met tulpen
– 5 hectare bollenveld beplant met lelies
Doordat narcissen en tulpen (zeer) vroege voorjaarbloeiers zijn en de teeltperiode in mei en
begin juni eindigde, kon een groot deel van deze bakken half juni verplaatst worden naar
het lelieveld.

2.2 De Artemisia vulgaris
De Artemisia vulgaris, of te wel bijvoet, is een in Nederland van nature voorkomende plant.
De artemisia is een overblijvende plant die in de natuur in de lente al snel te voorschijn komt
uit ondergrondse wortelstokken. De bloeitijd is augustus, september. Na de bloei en
vruchtzetting sterft het bovengrondse deel van deze plant af. De aromatische geur die de
Artemisia vulgaris afscheidt, zorgt voor het aantrekken van belangrijke insecten, waaronder
sluipwespen, zweefvliegen en lieveheersbeestjes.

2,3 Voor dit project zijn zo’n 5.000 artemisia’s vanuit het wild verzamelde zaden in de kwekerij
opgekweekt en vervolgens per 5 stuks in bakken geplant die op pallets waren bevestigd.
2.3 Experiment plantentrays artemisia’s
Er is geëxperimenteerd met 4 soorten bakken:
– palletbakken gevuld met grond en 5 artemisia’s erin geplant;
– palletbakken met als bodem een watervasthoudende doek, grond en 5 artemisia’s
erin geplant;
– plastic trays met dichte bodem waar potten met artemisia’s in werden gezet;
– plastic trays met open bodem waar potten met artemisia’s in werden gezet.
Dit experiment werd aanvullend opgezet om de conditie en het onderhoud van de
artemisia’s te vergelijken en tevens de opties voor een flexibele akkerrand te onderzoeken.

2.4 Flexibele akkerrand van verplaatsbare palletbakken met artemisia’s
In dit project is er gewerkt met standaard pallets waar randen op zijn bevestigd, waardoor
de palletbak als plantenbak voor de artemisia’s kon fungeren. Een deel van deze
palletbakken werd gevuld met grond en een deel van deze palletbakken werd voorzien met

2
The biology of Canadian weeds. 118. Artemisia vulgaris L.,J. N. Barney1 and A. DiTommaso 2, july 2002,
1Department of Horticulture and 2Department of Crop and Soil Sciences, Cornell University, Ithaca, NY, USA
14853.

3
Institut für Pflanzenkrankheiten der Rheinischen Friedrich-Wilhelms-Universität zu Bonn
Labor- und Freilanduntersuchungen zur Attraktivität unterschiedlicher Wild- und Nutzpflanzen auf die Adulten
verschiedener polyphager Prädatoren, Dipl.-Biol. Joachim Kranz, 25. April 2002, Inaugural-Dissertation,
Rheinischen Friedrich-Wilhelms-Universität Bonn.6
een watervasthoudende absorptiedoek en vervolgens gevuld met grond. Vervolgens werden
er per palletbak 5 artemisia’s geplant.
Om de commerciële haalbaarheid van het concept van flexibele akkerranden te vergroten, is
er gekozen voor een kader waarbij het aantal palletbakken per hectare bollenveld gemiddeld
100 bedraagt en er per palletbak 5 artemisiaplanten zijn geplant.
Er zijn 150 bakken langs 2 hectares narcissen geplaatst, 700 bakken langs 7 hectares tulpen
en 500 bakken langs 5 hectares lelies.
2.5 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Tulpen
In het bespoten veld zijn de tulpen in de periode van 18 maart tot en met 26 mei 9 keer
bespoten met Sumicidin (werkzame stof Esfenvaleraat) en 1 keer met Movento.

Narcissen
Het narcissenveld is niet bespoten. In de bollenteelt van narcissen zijn er kwekers die
standaard iedere week in het groeiseizoen spuiten, een deel zo’n 5 keer en een zeer kleine
groep die niet spuit. In dit project is er voor gekozen om aan 2 randen van het narcissenveld
in totaal 150 palletbakken (75 bakken per hectare) te plaatsen.

Lelies
De leliebollen zijn ondergedompeld in imidacloprid. Het lelieveld is gedurende het seizoen
22 keer bespoten, waarbij 5 keer een combinatie van twee insecticiden. Sumicidin werd bij
iedere bespuiting samen met minerale olie gebruikt. Daarnaast werd Pirimor en Calypso
ingezet.

2.6 Monitoring bladluizen en natuurlijke vijanden
Gedurende het groeiseizoen zijn de planten wekelijks visueel gemonitord op de
aanwezigheid van bladluis en natuurlijke vijanden bij het narcis- en tulpenveld. Bij het
lelieveld startte de monitoring halverwege het groeiseizoen op het moment van plaatsen
van de flexibele akkerrand.
Vanaf half februari vond er wekelijkse monitoring bij het narcisveld plaats. Bij het tulpenveld
startte de monitoring half april en bij het lelieveld half juni. Bij het narcissenveld geschiedde
dit door 200 planten in het narcissenveld te monitoren, waarbij vanwege de hoge dichtheid
meerdere narcissen gegroepeerd als 1 plant werden geteld. Zowel op het tulpenveld als het
lelieveld werden op 8 verschillende plaatsen in het veld 50 planten, totaal 400 planten,
geïnspecteerd op de aanwezigheid van bladluis en natuurlijke vijanden. In het tulpenveld is
er bovendien een aantal weken gemonitord op dode sluipwespen.

2.7 Monitoring artemisia’s in palletbakken
Gedurende de gehele projectperiode werden de artemisia’s in de palletbakken gemonitord
op hun conditie. Verder werd gekeken naar de aanwezigheid van verschillende natuurlijke
vijanden.7

2.8 Ziekzoeken
In de 3 bollenvelden heeft gedurende het seizoen herhaaldelijk ziekzoeken plaatsgevonden.
Hierbij wordt te voet door het veld gelopen en worden handmatig de planten met
virussymptomen verwijderd.

2.9 Virusanalyse
Voor het planten en na het rooien van de bollen werd door een ELISA-virustoets in het
laboratorium het percentage TBV (Tulip Breaking Virus ofwel tulpenmozaïekvirus) bij de
tulpen en het percentage LMoV (Lily Mottle Virus of leliemozaïekvirus) en het LSV (Lely
Symptomless Virus of symptoomloos lelievirus) bij de lelies gemeten.
Bij de narcissen werd in plaats van een Elisa-toets een visuele keuring in het veld uitgevoerd.
Op dit veld zijn de narcissen officieel door de Bloemen Keuringsdienst (BKD) gekeurd. 8

3 Resultaten
In dit hoofdstuk worden de monitoringsresultaten van de aanwezigheid van bladluizen in de
diverse teelten weergegeven. Tevens wordt ingegaan op het gebruik van een flexibele
akkerrand in dit project.

3.1 Narcissen
In het narcissenveld van 2 hectare zijn aan twee zijden van het veld in totaal 150
palletbakken geplaatst met in elke bak 5 artemisia’s.

3.1.1 Monitoringsresultaten
Vanaf 15 februari vond de monitoring wekelijks plaats. Hierbij werden 200 planten
gemonitord. Vanwege de hoge dichtheid werden meerdere narcissen gegroepeerd als 1
plant geteld. De resultaten hiervan staan in tabel 1 hieronder.
Tabel 1: Monitoring narcissen
perc. perc.
Datum bladluis natuurlijke vijanden
24-feb 0,0% 0,5%
3-mrt 0,0% 0,5%
10-mrt 0,0% 0,0%
17-mrt 0,0% 1,0%
24-mrt 0,0% 1,0%
31-mrt 0,5% 3,0%
7-apr 0,0% 2,0%
14-apr 0,0% 1,5%
21-apr 0,0% 2,5%
28-apr 0,0% 3,0%
5-mei 0,0% 2,5%
12-mei * *
* merendeel bladeren afgestorven
Bij het onbespoten Narcissenveld werd 0,5% aanwezigheid bladluis of minder gedurende de
monitoringsperiode aangetroffen. Deze onderzoeksresultaten bevestigen de conclusie van
het rapport van 2012 ‘Halveren Bestrijdingsmiddelen, kan dat?’ De narcis als waardplant is
duidelijk minder aantrekkelijk voor de bladluis. Dit kan komen door de narcis zelf en de uit
de monitoractiviteiten geconstateerde onaantrekkelijke omstandigheden voor de bladluis.
De vele, vrij dunne bladeren bij narcissen zwiepen vaak bij wind flink tegen elkaar aan en
zijn daardoor veel minder aantrekkelijk als ‘landingsplaats’. Tevens bieden de bladeren heel
weinig beschutting voor de vaak sterk aanwezige wind in Noord-Holland.

3.1.2 Visuele keuring
In narcissen komen veel zichtbare virussen voor. Niet de virussen, maar de symptomen
worden benoemd: topgrijs, randgrijs, zilver, chocolade. Narcissen worden visueel
geïnspecteerd op herkenning van deze symptomen, het zgn. zichtbare virus en
tabaksratelvirus.9
Het narcissenveld is visueel gekeurd door de Bloemen Keuringsdienst (BKD). Deze Narcissen
vielen in de hoogste klasse, Klasse I.

3.2 Tulpen
Rondom ruim 7 hectares tulpenveld (265m x 275m) zijn 700 bakken met in iedere bak 5
artemisia’s geplaatst.

3.2.1 Monitoringsresultaten
De resultaten staan voor de tulpenvelden in tabel 2 hieronder, waarbij de genoemde
percentages het percentage tulpen uitdrukt waar een bladluis of natuurlijke vijand werd
aangetroffen.
Tabel 2: Monitoring tulpen
perc.
Datum bladluis tot. perc. natuurlijke vijanden
13-apr 0,0% 1,0%
17-apr 0,0% 1,3%
24-apr 0,3% 1,5%
1-mei 0,8% 2,5%
8-mei 0,0% 0,3%
15-mei 0,0% 2,0%
22-mei 0,0% 0,8%
30-mei 1,0% 2,0%
5-jun 0,3% 1,3%
12-jun 1,0% 2,5%
19-jun * *
* merendeel bladeren afgestorven

Tijdens de monitorperiode zijn er alleen gevleugelde bladluizen aangetroffen. Dit betekent
dat er geen ongevleugelde bladluizen zijn voortgebracht in het veld en er geen nieuwe
generaties bladluizen zijn ontstaan. De combinatie van het gebruik van de
gewasbeschermingsmiddelen en de aanwezigheid van vooral sluipwespen aangetrokken
door de rand van artemisia’s heeft de luizendruk gedurende de teeltperiode ruim gehalveerd
ten opzichte van een bespoten tulpenveld zonder artemisia’s aan de randen. In het
referentieveld in 20121 liep het percentage bladluis in de teeltperiode ondanks bespuitingen
op tot uiteindelijk 12,5% (zie bijlage).

Het aantal natuurlijke vijanden, voornamelijk sluipwespen, aanwezig in het bollenveld, was
hoger dan het percentage in het narcissenveld (zie tabel 1). Zij overleefden de bespuitingen
uiteindelijk niet. Op enig moment waren ze levend aanwezig en zorgden zo voor een
preventieve werking tegen bladluis.

Bespuitingen
Het tulpenveld heeft in de periode van 18 maart tot en met 26 mei 11 bespuitingen
gekregen, waarvan 9 bespuitingen met 0,4 liter Sumicidin per hectare en 2 bespuitingen met
0,5 liter per hectare Movento. Ten opzichte van het referentieveld met 16 bespuitingen is
dit een reductie van meer dan 30%. Dit betekent dat met minder bespuitingen in combinatie 10
met akkerranden, de luizendruk beduidend lager is dan met bespuitingen alleen (ondanks
dat natuurlijke vijanden door het bespuiten afnemen).

3.2.2 Virustoets tulpen
In tulp wordt door de bladluis het tulpenmozaïekvirus (TBV) overgebracht. De symptomen
zijn vooral verkleuringen van de plant. Niet alle cultivars zijn even gevoelig. Vooral de gele en
witte soorten zijn gevoelig voor aantasting. Het virus kan in blad of bollen met een ELISA
toets opgespoord worden.
De ELISA-virustoets is een een laboratoriumtest voor het meten van virussen. In tabel 3
hieronder is de uitslag van deze toets voor de tulpen weergegeven.
Tabel 3: ELISA virustest tulpen
Bespoten veld met flexibele rand
TBV
Aug. 2013 0,4%
Aug. 2014 0,7%
De uitslag van deze toets gaf als beginwaarde voor het TBV(=Tulip Breaking virus ofwel
tulpenmozaïekvirus) virus 0,4% aan. Na het rooien van de bollen is een steekproef van de
bollen in augustus 2014 naar het laboratorium gestuurd voor de Elisa-virustoets. De uitslag
van de Elisa-toets bij de bollen uit het bespoten veld met flexibele akkerrand gaf 0,7% aan.
Hierbij heeft er gedurende het seizoen nog 4 keer ziekzoeken op het bespoten tulpenveld
plaatsgevonden. Hierbij wordt te voet door het veld gelopen en handmatig de met
virussymptomen gevonden tulpen verwijderd.
Bekijken we het bladluispercentage van het bespoten veld met flexibele akkerrand van
artemisia’s, dan is er meer dan 50% lagere luizendruk en zijn er geen pieken in
luizenpercentage meer ten opzichte van het bespoten referentieveld zonder flexibele
akkerrand. De bollen van de beide velden zitten onder het maximaal toegestane
viruspercentage en classificeren zich hiermee voor Klasse I.

3.3 Lelies
In de week van 12 juni zijn 500 palletbakken langs 2 zijden van een ca. 5 hectare groot
lelieveld geplaatst. De bakken zijn vanaf het tulpenveld verplaatst naar het lelieveld als
onderdeel van het onderzoek naar de flexibiliteit.

3.3.1 Monitoringsresultaten Lelies
Vanaf 12 juni vond er ongeveer wekelijks monitoring plaats. Deze monitoring geschiedde
door in het lelieveld op acht verschillende plekken in totaal 400 lelies op de aanwezigheid
van bladluis en natuurlijke vijanden te inspecteren. De resultaten hiervan staan in tabel 4
hieronder. 11
Tabel 4: Monitoring lelies
perc. perc.
Datum bladluis tot. natuurlijke vijanden
12-jun 1,5% 0,5%
19-jun 0,0% 0,0%
26-jun 0,0% 1,3%
3-jul 0,0% 0,0%
10-jul 1,8% 1,3%
17-jul 0,3% 1,0%
23-jul 0,5% 0,8%
31-jul 0,5% 0,5%
7-aug 0,3% 1,3%
12-aug 0,8% 0,5%
21-aug 0,0% 0,5%
28-aug 0,0% 1,3%
4-sep 0,0% 0,8%
11-sep 0,0% 1,0%
18-sep 0,3% 0,8%
25-sep 0,0% 1,3%
2-okt 0,5% 0,8%
10-okt * *
Vanaf 2 oktober waren in het veld het merendeel van de lelies afgestorven of bijna
afgestorven. Hierdoor heeft alleen nog selectieve monitoring plaatsgevonden.
* Op 10 oktober is bij het lelieras Crystal blanca, welke langzaam aan het afsterven was met
deels groene en deels geelbruine bladeren, zo’n 15% aan ongevleugelde bladluis
geconstateerd. Wanneer het gewas aan het verwelken is, vindt er geen virusverspreiding
meer plaats4
. Het lijkt erop dat de plant in deze verwelkingsfase geen alarmstoffen meer
afscheidt om sluipwespen aan te trekken. De rassen Montazuma, Robina en Buckingham, die
op de bedden ernaast stonden, waren nog vol groen en hadden geen luis, maar wel 7 % aan
sluipwespen.
Bespuitingen
Het hele lelieveld heeft in de periode 18 maart t/m 8 september 22 bespuitingen gekregen
met Sumicidin (0,4 l/ha), mineraal olie (3 tot 7l/ha), 3 maal in combinatie met Calypso (0,25
l/ha) en 2 maal in combinatie met Pirimor (0,5l/ha).

3.3.2 Virustoets lelies
De virussen die bij de lelies kunnen worden overgebracht door bladluis zijn het LMoV (Lily
Mottle Virus of leliemozaïekvirus) en het LSV (Lely Symptomless Virus of Symptoomloos
lelievirus).
In de tabel 5 hieronder zijn de percentages van beide virussen via de ELISA-toets
weergegeven.

4
Non-persistente virusoverdracht door bladluizen in bloembollen, Maarten de Kock, Miriam Lemmers, Linda
van Dalen, Khanh Pham en Ineke Stijger, 2009, Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V.,BO_06_005
Plantgezondheid, thema Fytosanitair Beta _ Project 3.1.7.12
Tabel 5: ELISA virustest lelies
Bespoten veld met flexibele rand
ELISA datum toets LMoV LSV
Bladtoets aug-13 0,4% 0,8%
Bladtoets sep-14 0,8% 0,8%
De bollen van het lelieveld classificeren zich hierbij voor Klasse I.

3.4 Natuurlijke vijanden
Uit tabel 6 blijkt de gemiddelde verdeling van het aantal natuurlijke vijanden in het tulpenen
lelieveld. Sluipwespen en spinnen maken het merendeel van de populatie uit.
Tabel 6: Verhouding natuurlijke vijanden in tulpen- en lelieveld
spinnen sluipwespen lieveheersb. wants/kever zweefvlieg gaasvlieg totaal
Bespoten velden 15% 75% 2% 5% 3% 100%(n=114)
Uit de monitoring bleek ook dat de sluipwespen overal in het veld aanwezig waren, zowel in
het bloembollenbed aan de rand (het dichtst bij de flexibele artemisiarand), als 100 tot 150
meter daarvan af.

3.5 Flexibele akkerranden
Tijdens en na het groeiseizoen zijn de bollentelers geïnterviewd over hun ervaringen met de
flexibele akkerranden.
Het plaatsen en verplaatsen van de palletbakken werd als het weinig efficiënt ervaren, daar
slechts 2 palletbakken per keer getransporteerd konden worden.

3.5.1 Resultaat experiment plantentrays artemisia’s
Gedurende het project is gebleken dat bij de palletbakken met en zonder watervasthoudend
doek de grond in de bakken door de wind en de zon zeer snel uitdroogde bij te weinig
regenval. Hierdoor verwelkten de artemisia’s tot het moment dat er weer water werd
toegediend door de bollenteler. Dit moest voor de artemisia’s vaker gebeuren dan voor de
bollen zelf en werd ervaren als een extra handeling en daarmee kostenpost.
De plastic trays waar de artemisia’s niet konden doorwortelen naar de bodem hadden
hetzelfde probleem als de palletbakken, ze droogden sneller uit dan het bolgewas.
De plastic trays waar de bodem uit was gehaald, zorgden voor het vrij wortelen van de
artemisia’s en deze artemisia’s stonden er gedurende de projectperiode altijd goed bij.
Bij (vroege) voorjaarsbloeiers moeten de artemisia’s al gekweekt en afgehard zijn om ze
langs het bollenveld te kunnen plaatsen. Een te grote en snelle overgang van binnen in de
kas naar buiten in de kou, wind en zon, zorgt voor zwakkere artemisia’s met rode
bladranden. Potten met artemisia’s in trays met open bodem zorgen voor goed groeiende
artemisia’s met de minste handlingstijd en daarmee kosten qua plaatsen voor de bollenteler.
Gebleken is dat de flexibiliteit van de akkerrand, niet gelegen is in het verplaatsen van de
palletbakken, maar in het direct kunnen plaatsen van een kant-en klare akkerrand op ieder 13
gewenst tijdstip. Bij vroege voorjaarsbloeiers, zoals de narcis en de tulp, konden hierdoor al
vanaf half februari een akkerrand met artemisia’s geplaatst worden en op die manier
natuurlijke vijanden worden aangetrokken.

3.6 Overige aspecten monitoring
Bij de monitoring viel een aantal aspecten op:
– Bij warm weer vlogen er in het veld sluipwespen en zweefvliegen op, deze bleven niet
op de bladeren en zijn niet meegenomen in de tabellen.
– De aangetroffen bladluis bij de tulpen was voornamelijk de groene (perzik) bladluis. Bij
de lelies was de aangetroffen bladluis vooral de zwarte bonenluis en de katoenluis.
– Bij slecht weer in het voorjaar zoeken de bladluis een schuilplaats en kunnen dan vooral
in de ruimte tussen de steel en het blad worden aangetroffen. Dit is vooral het geval bij
het ras Clear Water, waar de ruimte goed is, omdat het blad langzaam van de steel
‘wegloopt’. Dit zou (deels) kunnen verklaren dat deze tulp meer virusoverdracht kent
dan andere tulpen.
– In de flexibele akkerrand waren er gedurende het seizoen iedere week natuurlijke
vijanden van de bladluis aanwezig, waarbij vooral op zonnige dagen dit goed zichtbaar
was. 14

4 Conclusies en aanbevelingen
Uit de resultaten van dit project kan worden geconcludeerd dat het mogelijk is om aan
geïntegreerde gewasbescherming te doen door naast de inzet van
gewasbeschermingsmiddelen, een flexibele akkerrand van artemisia’s langs het bollenveld te
plaatsen. Hierbij kan worden uitgegaan van 100 bakken met 5 artemisia’s elk per hectare
bollenveld. De akkerrand van plantenbakken met artemisia’s trok een zodanige hoeveelheid
natuurlijke vijanden aan dat er een reductie van de luizendruk met meer dan 50% werd
bewerkstelligd ten opzichte van de inzet van gewasbeschermingsmiddelen zonder flexibele
akkerrand van artemisia’s. Tevens waren er geen pieken meer in de aanwezigheid van
bladluis gedurende de teeltperiode.
Uit de resultaten van de diverse keuringen bleek dat deze luizendrukreductie van meer dan
50% heeft geresulteerd in de hoogste klasse narcis, tulpen en leliebollen.
Voor wat betreft de flexibiliteit van de akkerrand moet deze niet gezocht worden in het
verplaatsen van de palletbakken met artemisia’s tijdens de teeltperiode voor bijv. het doen
van bespuitingen en/of de bereikbaarheid van het bollenveld. Dit is namelijk niet nodig,
omdat de akkerrand ontzien wordt met de bespuitingen en geen barrière vormt om het
bollenveld te bereiken. De akkerrand van artemisia’s vormt daarentegen wel een positieve
barrière als vanggewas voor mogelijke emissie naar de sloot (=oppervlaktewater). De
flexibiliteit moet gezocht worden in het eenvoudig en snel plaatsen van een flexibele
akkerrand aan het begin en verwijderen aan het eind van de teeltperiode. Dit brengt zo min
mogelijk handelingskosten met zich mee voor de bollenteler.
Het is niet te verwachten dat bollentelers in korte tijd over zullen schakelen naar een teelt
waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet. De resultaten van dit project zijn
een opstap naar een geïntegreerde gewasbescherming waarbij de bollenteler naast het
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, een extra bescherming tegen bladluis kan creëren
door een flexibele akkerrand aan het begin van zijn teeltseizoen te plaatsen. Vervolgens kan
hij, door monitoring, zelf bepalen of hij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wilt
verminderen om zodoende een stap te maken richting een duurzame bollenteelt.15

5 Bijlagen
De resultaten uit de referentievelden uit voorgaand onderzoek. 5
Tabel 7: Monitoring referentieveld tulpen
perc. bladluis bladluis
Datum bladluis tot. gevleugeld ongevleugeld
26-apr 2,5% 0,0% 2,5%
7-mei 3,5% 2,0% 1,5%
15-mei 1,0% 1,0% 0,0%
24-mei 1,5% 1,0% 0,5%
1-jun 0,5% 0,5% 0,0%
8-jun 0,0% 0,0% 0,0%
14-jun 6,0% 1,0% 5,0%
22-jun 2,5% 0,5% 2,0%
28-jun 12,5% 0,5% 12,0%
Tabel 8: Monitoring referentieveld lelies
perc. bladluis bladluis bladluiskolonie bladluiskolonie
Datum bladluis tot. gevleugeld ongevleugeld klein(5-20) groot(>50)
1-jun 0,0% 0,0% 0,0%
8-jun 0,5% 0,5% 0,0%
14-jun 0,0% 0,0% 0,0%
22-jun 0,0% 0,0% 0,0%
28-jun 8,0% 8,0% 0,0%
5-jul 4,0% 4,0% 0,0%
10-jul 1,5% 1,5% 0,0%
20-jul 0,5% 0,0% 0,0%
27-jul 0,0% 0,0% 0,0%
6-aug 0,0% 0,0% 0,0%
12-aug 0,0% 0,0% 0,0%
16-aug 0,0% 0,0% 0,0%
23-aug 1,5% 1,0% 0,5%
30-aug 0,5% 0,0% 0,5%
6-sep 5,0% 0,0% 4,5% 0,5%
13-sep 16,0% 0,0% 14,5% 1,5%
20-sep 29,0% 0,0% 20,0% 6% 3%
28-sep 47,5% 0,5% 33,0% 11,0% 3,0%
4-okt 46,0% 1,5% 24,5% 14,5% 5,5%
11-okt 49,0% 1,0% 10,5% 27,5% 10,0%

5
Bestrijdingsmiddelen halveren, kan dat? , J. Kazatzidis en C. Külling, december 201216
Bibliografie
Referenties
Bestrijdingsmiddelen halveren, kan dat? , J. Kazatzidis en C. Külling, december 2012
Non_persistente virusoverdracht door bladluizen in bloembollen, Maarten de Kock, Miriam
Lemmers, Linda van Dalen, Khanh Pham en Ineke Stijger, 2009, Praktijkonderzoek Plant & Omgeving
B.V.,BO_06_005 Plantgezondheid, thema Fytosanitair Beta _ Project 3.1.7.
The biology of Canadian weeds. 118. Artemisia vulgaris L.,J. N. Barney1 and A. DiTommaso 2, july
2002, 1Department of Horticulture and 2Department of Crop and Soil Sciences, Cornell University,
Ithaca, NY, USA 14853.
Institut für Pflanzenkrankheiten der Rheinischen Friedrich-Wilhelms-Universität zu Bonn
Labor- und Freilanduntersuchungen zur Attraktivität unterschiedlicher Wild- und Nutzpflanzen auf
die Adulten verschiedener polyphager Prädatoren, Dipl.-Biol. Joachim Kranz, 25. April 2002,
Inaugural-Dissertation, Rheinischen Friedrich-Wilhelms-Universität Bonn.
Geraadpleegde literatuur

Bladluizen (Sitobion avenae) als vector voor de transmissie van plantpathogene schimmels
(Fusarium graminearum),Nathalie DE ZUTTER, Academiejaar 2010-2011, masterproef voorgedragen,
Universiteit van Gent, Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen Vakgroep Gewasbescherming.
Life history and demographic parameters of aphis fabae (hemiptera:aphididae) and its parasitoid,
aphidius matricariae (hymenoptera:aphidiidae) on four beet cultivars, Sepideh Tahriri Adabi1, Ali
Asghar Talebi1, Yaghoub Fathipour1 and Abbas Ali Zamani2, 2010, Acta entomologica serbica, 15(1):
61-73, 1 Department of Entomology, Faculty of Agriculture, Tarbiat Modares University, Tehran, Iran
2 Department of Plant Protection, Faculty of Agriculture, Razi University, Kermanshah, Iran.
Collectie Nederlandse sluipwespen in kaart gebracht, Frans J.A. Slieker,21-4-2009, Straatgras.
Phase II: Native vegetation to enhance biodiversity, beneficial insects and pest control in horticulture
systems, Dr Nancy Schellhorn, 2008, Project Number: VG06024 CSIRO Entomology, Horticulture
Australia Ltd, ISBN 0 7341 1812 0.
Bloemenranden voor een duurzame gewasbescherming (Brochure), Interprovinciaal Proefcentrum
voor de Biologische Teelt vzw, 2008.

Effect of temperature on population parameters of Aphis gossypii Glover and Myzus persicae (Sulzer)
(Homoptera: Aphididae) on pepper, S. Satar1,*, U. Kersting2 & N. Uygun1, november 2007, Journal
of Plant Diseases and Protection, 115 (2), 69–74, 2008, ISSN 1861-3829. © Eugen Ulmer KG, Stuttgart
J.Plant Dis.Protect. 2/2008,1 Department of Plant Protection, University of Çukurova, Turkey, 2
Faculty of Agricultural Sciences and Technologies, European University of Lefke, TRNC.
Reproduction and Feeding Behavior of Myzus persicae on Four Cereals, J. A. Davis and E. B. Radcliffe,
2008, Journal of Economic Entomology, 101(1):9-16. 2008, Entomological Society of America.17
Bloemrijke akkerranden voeden natuurlijke vijanden, Paul C.J. van Rijn, Felix L. Wäckers, 2007,
entomologische berichten 217 67(6).

Aphid wing dimorphisms: linking environmental and genetic control of trait variation, 2006, Jennifer
A. Brisson*,†, Heredity (2006) 97, 192–199, Molecular and Computational Biology, University of
Southern California, Los Angeles, CA 90089, USA.
Bladluizen en aardappelvirus Y: Op weg naar meer begrip, G.W. van den Bovenkamp en A. Stolte,
september 2006, Gewasbescherming, jaargang 37, nummer 5, Nederlandse Algemene Keuringsdienst
voor zaaigoed en pootgoed van Landbouwgewassen.
Wing dimorphism in aphids, Braendle1, GK Davis2, JA Brisson2 and DL Stern2, , 2006, 1Institut
Jacques Monod, CNRS, Universite´s Paris 6 and 7, Tour 43, 2 place Jussieu, 75251 Paris cedex 05,
France; 2Department of Ecology & Evolutionary Biology, Princeton University, Princeton, NJ 08544,
USA.

Ziekten en plagen in biologische snijbloemen onder glas ( Brochure), Praktijkonderzoek Plant
Omgeving B.V., 2006 Wageningen.
Assessing the risks and benefits of flowering field edges, Strategic use of nectar sources to boost
biological control, Karin Winkler, december 2005, proefschrift, Wageningen University, ISBN 90-
8504-319-0.

Ecotoxicological effects on zooplankton interactions in eutrophied waters, Martin C. Th. Scholten,
december 2004, academisch proefschrift, Vrije Universiteit Amsterdam, ISBN 90-809141-1-8.
Stiletpenetratie door bladluizen elektropenetratie-gramsignalen uit groene diepten, Freddy Tjallingii,
2003, Entomologische Berichten 63(5) 2003.
Forest edges are biodiversity hotspots– also for neuroptera, duelli, p.1, obrist, m. k.1 and p. f.
flückiger2, 2002, Acta Zoologica Academiae Scientiarum Hungaricae 48 (Suppl. 2), pp. 75–87,
2002,1Swiss Federal Research Institute WSL, CH-8903 Birmensdorf, Switzerland, 2Naturmuseum
Olten, Kirchgasse 10, CH-4600 Olten, Switzerland.

Plant-insect communities and predator-prey ratios in field margin strips, adjacent crop fields, and
fallows, Christine Denys · Teja Tscharntke, 2001, Springer-Verlag 2001.
Evaluation and application of parasitoids for biological control of Aphis gossypii in glasshouse
cucumber crops, Machiel van Steenis, 1995, Thesis Wageningen, ISBN 90-5485-439-1.
Herkennen en tellen van bladluizen in suikerbieten, Instituut voor Rationele Suikerproduktie, 1991.

Dit rapport is beschikbaar als PDF bestand op www.agrigro.eu, www.wthlangelaan.nl en
www.abacholland.com.
Het project ‘Flexibele akkerranden en sluipwespen tegen bladluis’ is mede mogelijk gemaakt door RLS
Samenwerking bij Innovatieprojecten – Nieuwe Uitdagingen 2013, gefinancierd uit het Programma voor
Plattelandsontwikkeling 2007-2013 voor Nederland (POP), Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling (ELFPO).

©2017 Crocussativus - Part of ABAC Holland B.V.

Webontwikkeling: 2nd Chapter BV